Hollandse aardappelen worden in het voorjaar gepoot waarna ze de warmte van de zomer en, op zijn tijd, een Hollandse regenbui gebruiken om te groeien. Vanaf augustus zijn de aardappelen volgroeid en zal de teler deze moeten rooien. Dit dient voor eind september te gebeuren om te voorkomen dat nachtvorst schade aanricht. Grote gedeelten van de oogst moeten worden opgeslagen voor later in het seizoen. Niet alles kan immers direct worden geconsumeerd. Het opslaan gebeurt deels in kisten voor later in het seizoen en deels los in grote schuren voor de wat kortere termijn. Het plaatsen van een muur, opgebouwd uit houten planken, zorgt ervoor dat de aardappelen netjes in de schuur opgeslagen blijven. Hier komt de uitspraak: “de aardappelen achter de planken” vandaan. De teler waakt over de opgeslagen aardappelen zodat deze, soms maanden later, in goede conditie aan de supermarkt geleverd kunnen worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.